Meer werkgeluk zonder van baan te wisselen: wat je zelf kunt doen
De perfecte baan bestaat niet, maar je kunt je huidige werk wel leuker maken. Zo breng je in kaart wat je energie geeft en stuur je je taken en contacten bij.
Wie minder plezier in zijn werk heeft, denkt al snel aan een andere baan. Dat kan de juiste stap zijn, maar vaak zit er nog veel ruimte in de baan die je nu hebt. Een nieuw boek uit Vlaanderen laat zien waar die ruimte zit, en het antwoord is minder spectaculair dan je zou hopen. Het zit in kleine dingen die je zelf kunt bijsturen, in je taken, in je contacten en in hoe je naar je eigen werk kijkt.
Wat dertig mensen vertelden over hun werkgeluk
De Belgische onderzoeker Jorrit Campens, lector aan HOGENT, sprak voor zijn boek Gelukkig aan het werk met dertig mensen uit heel verschillende beroepen. Een arts-specialist, een kleuterjuf, een advocaat, een wijnsommelier, een muzikant en een arbeider aan de band in een autofabriek kregen allemaal dezelfde vragen. Wat draagt bij aan je werkgeluk, en wat maakt je gelukkig op je werk? Dat vertelde hij op 5 oktober 2026 aan HLN.
Zijn conclusie is nuchter. De perfecte baan bestaat niet, en wie daarnaar blijft zoeken jaagt een illusie na. Wat wel werkt, is voor jezelf in kaart brengen waar je werkgeluk vandaan komt. Dat verschilt sterk per persoon. Voor de fabrieksarbeider waren het de sociale contacten op de vloer. De arts-specialist hechtte aan een vast moment met collega’s na een overlijden, om samen te bespreken wat er gebeurd was. En iemand die de hele dag achter de computer zit, had veel aan een betere grafische kaart. Klein, praktisch en voor een ander misschien totaal onbelangrijk.
Het boek gaat over de situatie in België, waar het aantal mensen dat langer dan een jaar arbeidsongeschikt is door depressie of burn-out volgens het RIZIV in vier jaar met 32 procent steeg. Maar de vraag die Campens stelt, wat geeft jou energie, geldt net zo goed voor wie in Nederland werkt.
Je baan een beetje zelf vormgeven
In de arbeidspsychologie heet dit idee job crafting. De gedachte is dat een functieomschrijving nooit precies vastlegt hoe je je werk doet. Binnen die grenzen heb je meer invloed dan je denkt. Onderzoekers onderscheiden grofweg drie knoppen waaraan je kunt draaien.
- Je taken. Doe meer van wat je energie geeft en kijk of je wat minder van de energievreters kunt doen, of ze anders kunt aanpakken. Soms is het een kwestie van volgorde, zoals het lastigste werk op het moment van de dag waarop je het scherpst bent.
- Je contacten. Met wie werk je samen, en hoe vaak? Wie je energie geeft, kun je bewust vaker opzoeken. Een vast overleg met een collega van wie je leert, telt ook.
- Je blik op het werk. Wat betekent wat je doet voor een ander? Een klant die geholpen is, een collega die door jou verder kan. Wie dat ziet, ervaart hetzelfde werk vaak als zinvoller.
Het mooie aan deze aanpak vinden wij dat hij niet wacht op een reorganisatie of een nieuwe leidinggevende. Je begint gewoon bij jezelf, morgen al.
Zo breng je je eigen werkgeluk in kaart
Campens raadt aan om eerst te kijken, en pas daarna te veranderen. Een eenvoudige manier om dat te doen is een week lang bijhouden wat je doet en hoe het voelt.
- Noteer aan het eind van elke werkdag twee momenten die energie gaven en twee die energie kostten. Schrijf er kort bij wat je deed en met wie.
- Zoek na een week naar patronen. Zijn het steeds dezelfde taken? Dezelfde mensen? Een bepaald tijdstip of een bepaalde plek?
- Kies één kleine aanpassing die binnen jouw invloed ligt. Bijvoorbeeld een uur per week vrijhouden voor het werk dat je het liefst doet, of een vaste koffie met een collega van een andere afdeling.
- Probeer het een maand en kijk dan opnieuw naar je aantekeningen.
Wie het fijn vindt om dit op papier te doen, kan het combineren met een eenvoudig werkdagboek. Een notitieboekje of een notitie-app op je telefoon is genoeg.
Praat erover, ook als het goed gaat
Een opvallende opmerking van Campens gaat over vergaderen. Teams vergaderen veel, zegt hij, maar praten zelden over wat goed loopt, wat minder goed loopt en wat energie kost. Terwijl de mensen die het werk doen daar zelf de beste experts in zijn.
Dat gesprek hoeft niet zwaar te zijn. Je kunt het in een werkoverleg voorstellen als korte ronde, of het meenemen naar je eerstvolgende gesprek met je leidinggevende. Vertel wat je in je week hebt gemerkt en welke kleine aanpassing je wilt proberen. Veel leidinggevenden zijn blij met een medewerker die met een concreet voorstel komt in plaats van met een algemene klacht.
Is de werkdruk zo hoog dat je aan aanpassingen niet eens toekomt, dan is een ander gesprek nodig. Hoe je dat aanpakt, lees je in ons artikel over werkdruk bespreken met je leidinggevende.
Wanneer een andere baan toch beter is
Kleine aanpassingen hebben grenzen. Als je merkt dat er na een paar maanden bijsturen nauwelijks iets is dat je energie geeft, of als de cultuur op je werk botst met wat jij belangrijk vindt, dan is een overstap misschien wel de verstandige keuze. Ook dan helpt je week aan aantekeningen. Je weet beter wat je zoekt, en dat maakt de volgende stap gerichter.
Campens zegt het zelf zonder omhaal, er bestaan geen wonderoplossingen. Dat klinkt misschien teleurstellend, maar wij vinden het eigenlijk goed nieuws. Het betekent dat werkgeluk niet afhangt van een droombaan die ergens anders op je ligt te wachten, maar van een reeks kleine keuzes die je zelf kunt maken.